Over het zelfverkozen levenseinde.

De laatste dagen is er een discussie ontstaan over het zelfgekozen levenseinde bij ouderen. Die discussie zet me opnieuw aan het denken. Opnieuw, want allereerst zet het me aan tot herinneren. En ik kan en wil niet afzijdig blijven in de discussie.
 
Ik heb de uitersten meegemaakt. Mijn vader die van de ene op de andere dag weggerukt werd op een manier dat enige vorm van bewust afscheid onmogelijk was en mijn moeder die zelf stopte met eten en drinken en zo zichzelf van het leven beroofde.
 
Over mijn vader valt niet zoveel te vertellen in dit verband. Hoogstens dat het roken en drinken hem fataal is geworden. Een hart kan immers maar zoveel hebben en in die zin was zijn levenseinde zowel zelf verkozen als ongewenst. Een zware hartaanval doet dat.
Maar dan mijn moeder. Een vrouw die eigenlijk als kind oorlogsslachtoffer was, een hongerwinterkind. Met als gevolg een leven lang gevuld met medische problemen en de laatste vijftien jaar van haar leven getekend door exponentieel toenemend medicijngebruik en ziekenhuisopnames als ware ze een draaideurcrimineel die om de haverklap de bajes in draait. Want dat waren de ziekenhuizen voor haar: gevangenissen waarin het instituut en haar lijf zich gedroegen als gevangenis en cel. Levenslang.
 
Ik heb de wanhoop zien groeien, jaar op jaar. Het diepe verdriet in haar ogen als haar lichaam weer eens ervoor zorgde dat ze weken en soms maanden in een ziekenhuis doorbracht. En het ergste: zomers lang. Die laatste zomer wilde ze niet weer dat rottige gebouw in moeten gaan waar anderen bepalen wanneer op de dag je wat moet doen. Mag doen. Kan doen. Vaak niet wil doen. Waar het eten je tegen staat terwijl eten in de laatste decennia van het leven als wapens waren geworden in handen van een tegenstander die onoverwinnelijk is. Euthanasie was geen onderwerp waar ze over sprak, althans, ze heeft niemand toegelaten in haar gedachten en gevoelswereld op dat punt. Ze mist pa, dat wisten we. Ze miste hem verschrikkelijk want mijn ouders waren met elkaar vergroeid. Ze miste hem al tien jaar. We hadden geen gesprekken over het einde van het leven, over wat de mogelijkheden waren. Ik denk omdat ze zoveel van het leven hield, altijd maar knokte. Omdat ze jaar op jaar het ziekenhuis in verdween om er tot ieders verbazing er na een onbepaalde tijd weer uit te komen waarna het leven op een weer iets lager pitje gewoon verder ging. Zelfstandig wonend tot in de lente voor de zomer waarin ze het leven opgaf.
 
Mijn moeder heeft – zo voel ik dat – zichzelf uit gezet. Afgeschakeld. Verstorven. We waren getuige van het proces en het was de periode in mijn leven waarin ik me verschrikkelijk machteloos voelde. Niet in het minst omdat ze zelfs in die vreselijke tijd niemand toeliet in haar rap krimpende wereld. Tien dagen duurde het. De tien langste dagen in mijn herinnering. Dat ziekenhuis heb ik nooit meer van binnen gezien en hoop ik ook nooit meer van binnen te zien. Ik herinner me een deur met daarin en rond raampje. Met steeds grotere regelmaat heb ik door dat raampje, een soort patrijspoort, gekeken. Overdag, ’s nachts, voor het ontbijt, erna, voor de lunch, erna, voor het diner, erna. Ze had besloten dat niemand meer naar binnen mocht behalve de verpleging. Sterven doe je alleen was de boodschap. En het was verschrikkelijk.
 
De discussie van de laatste dagen maakt mij weer duidelijk dat ik nooit, maar dan ook nooit, in de situatie van mijn moeder wil komen. Liever nog knal ik een kogel door mijn hoofd of neem ik een gifpil. Mijn kinderen en de paar mensen in mijn leven die van mij houden weten hou ik hierover denk. Als het niet meer gaat, wil ik sterven. Zonder gedoe, zonder last voor anderen. Mijn kinderen, mijn geliefden, ze mogen niet meemaken wat ik meemaakte rond de dood van mijn moeder. Ik wil niet dat zij mij net zo vervloeken als ik mijn moeder vervloekte om het einde dat ze zichzelf aandeed en de marteling waaraan ze ons blootstelde. Ik zou liegen als ik zou schrijven dat ik vrede heb met haar keuze om uit het leven te stappen, want ik heb er geen vrede mee. Toen niet, nu niet en ik denk dat ik er nooit vrede mee zal kunnen hebben. Als ik niet meer capabel ben, als ik niet meer verder kan en de wanhoop me in zijn greep neemt, laat mij dan gaan.
 
Ik kan onmogelijk onbevangen luisteren naar de huidige discussie. Laat, wanneer een mens niet verder wil, die mens in waardigheid en op een humane manier sterven. Net als leven is sterven in sommige situaties een grondrecht dat gerespecteerd moet worden.
 
Anna A. Ros © 2016

Geef een reactie