Oktober 1877, New Cross Road 306, New Cross

Voor de zomer leek alles nog gewoon. Maar dat was het natuurlijk niet, mama’s zwangerschap verliep moeizaam, de baby was ontzettend onrustig en schopte zeker de laatste maanden voor de geboorte veel. Van een gewone nachtrust was voor haar dus allang geen sprake meer en ofschoon het de tiende zwangerschap in zestien jaar was, werd ze met de dag chagrijniger. Mama heeft doorgaans een heel opgeruimd karakter maar nu ruziede ze met vader over de kleinste dingen en dan deed hij wat hij meestal deed als het hem te heet onder de voeten werd; hij trok zich terug achter zijn werktafel met tandwielen, raderen, springveren, boutjes, moertjes en plaatjes koper en messing. Op de avond van de bevalling had de vroedvrouw hem zelfs weggestuurd, achteraf gezien was dat een foute actie. Net als iedereen dacht ze dat het wel goed zou gaan na negen eerdere bevallingen, want op de onrustige baby na zag het er verder goed uit. Maar het ging niet goed en vader was niet in huis. De bevalling verliep moeizaam, de baby lag niet goed, met als gevolg dat mama er lang over deed en na de geboorte van baby Sam zo uitgeput was dat ze wel twee weken in bed moest blijven. Ze was ontzettend boos geworden dat vader niet bij haar was geweest op de avond van de bevalling en had er een paar dagen later flink ruzie over gemaakt met hem. Zoals vaker had hij geen weerwoord maar liet alles over zich heen komen terwijl ik had gezien dat hij door de vroedvrouw was weggestuurd als een kleine jongen. Ik begrijp nog steeds niet waarom hij dat liet gebeuren. De vrouw was grof en kil tegen hem maar hij was toch de vader? Mijn vader. Hij had er als geslagen bij gestaan, lamlendig haast. Een man zonder ruggengraat. Een man die Abraham heette, zo’n trotse naam. Een man waar ik altijd tegenop had gekeken, die zo vaak onbenaderbaar leek. Die niet wist wat hij moest zeggen en die afdroop om pas weer terug te keren na de bevalling. Alsof hij toevallig onze vader was.

Een paar weken na Sam’s geboorte kreeg ze hevige pijn in haar rechterbeen na wat zij dacht dat een ongelukkige verdraaiing van haar rug was. Toen ze enkele dagen later aan het been verlamd raakte en de pijn aanhield, liet ze de dokter komen. Die kon niets vinden waardoor ze van de ene op de andere dag niet meer kon lopen. Eerst hoopten we nog dat het na een tijdje over zou gaan want dat had dokter Gladstone gezegd. Maar dat gebeurde niet en binnen enkele weken veranderde mijn moeder van een meestal blije vrouw in een verdrietige zieke vrouw die het grootste deel van de dag op bed moest doorbrengen. Dokter Gladstone had nog een andere arts naar haar laten kijken maar een remedie voor haar verlamming hadden ze geen van beide. Later in de zomer vertelde de dokter uiteindelijk dat hij niets meer voor haar kon betekenen, volgens hem moest haar rug beschadigd zijn bij de bevalling en daar viel niets aan te doen. Hij schreef haar voor langere tijd een kleine dosis laudanum tegen de pijn voor en vertelde vader, mijn broer Thom en mij dat ze waarschijnlijk nooit meer zou kunnen lopen; veroordeeld tot bed, rolstoel en de hulp van anderen. We mochten het er van vader met onze broertjes en zusjes niet over hebben. Hij zorgde ervoor dat er een rolstoel in huis kwam en de achterkamer beneden werd ingericht als slaapkamer voor mama. Voor haar zelf was het een vonnis, waar ze zich niet bij wilde maar wel moest neerleggen. Voor mij was het in zekere zin ook een vonnis want als oudste dochter moest ik veel van haar werk thuis overnemen. Was het daar maar bij gebleven. Maar alle goeds komt in drieën, zoals ze soms zeggen en alle kwaads ook. Zevenenzeventig zou een rampjaar worden van ons gezin.

Vijf dagen geleden kwam de kleine Dottie thuis met een verhit gezicht. Ze was ziek geworden op school en eenmaal thuis heb ik haar direct naar haar bed gebracht. Binnen een paar uur vloog haar temperatuur omhoog en in de nacht klaagde ze over pijn in haar armen en benen. De volgende morgen kwam dokter Gladstone en onmiddellijk stuurde hij iedereen bij haar weg. Alleen ik mocht nog bij haar komen om haar te verzorgen want moeder kon dat natuurlijk niet. Toen de dokter de volgende dag weer kwam kijken waren de eerste blaasjes op haar rug zichtbaar; waterpokken. Ik wist hoe gevaarlijk dat was. Hij schreef Epsomzout  en podophylline voor en gaf instructies hoe ik haar moest verplegen en wassen en de medicijnen toedienen. Het wassen was een marteling. Ze moest huilen toen ik het water over de beschadigde huid van haar rug liet stromen en zei dat ze in brand stond toen ik het weg depte. De volgende dag heb ik de wasbeurt overgeslagen want ik kon het niet aanzien, zoveel pijn als ze had. Gisteren verslechterde Dotties toestand snel. Ze was in de dagen vooraf al steeds zwakker geworden en ik had gezien dat ze langzaam maar zeker uitgeput raakte. Toen ik aan het eind van de middag Hetty afloste die het even van me had overgenomen reageerde de kleine meid amper nog op me. Vannacht heb ik naast haar bed gezeten en geprobeerd om wakker te blijven en haar ieder half uur met een vochtige doek het voorhoofd en de borst te verkoelen. 

Ik moet uiteindelijk toch ingedut zijn want ik schrik wakker van de herfstzon die tussen de zware gordijnen door op mijn gezicht schijnt. Versuft kijk ik om me heen. Mijn stoel staat bij het raam op zo’n twee meter van Dotties bed want dokter Gladstone had gezegd dat ik niet te dichtbij mocht zitten om besmetting te voorkomen. Terwijl ik mijn ogen uitwrijf kijk ik naar het grote bed. Het is minder omgewoeld dan gisterochtend. Blijkbaar heeft ze rustig geslapen en ik voel me gerustgesteld. Dan sta ik op uit mijn stoel en strek me want ik ben stijfjes door de ongelukkig slaaphouding. Mijn rok glad strijkend loop ik naar het bed en dan schrik ik. Het lijkt wel of er een schok door Dottie heen gaat, een soort spasme. Het duurt niet lang, een paar seconden maar, maar het ziet er eng uit, alsof ze een soort toeval heeft.
‘Dottie, lieverd?’ 
Ze ademt maar ze hoort me niet. 
‘Dottie, meisje, wordt eens wakker!’ 
Er staan zweetdruppels op haar voorhoofd en ze is ook koortsig rood. Ik pak een doek, maak die vochtig in de kom en begin haar gezicht te deppen in een poging haar te verkoelen. Haar ademhaling is onregelmatig en een beetje schokkerig alsof ze moeite heeft om lucht binnen te krijgen. Ik schud haar zachtjes aan de schouder maar ze blijft onbeweeglijk en is zo slap als een pop. Terwijl ik besluiteloos naar haar kijk zie ik opnieuw een schok door haar lichaampje gaan. Even trekken haar armen en benen voordat ze weer stilvallen en ik wordt ontzettend bang. Dit is niet goed, dit is helemaal niet goed.
‘Hetty! Edie!’ 
Ik ren naar de kamer uit de overloop op in de hoop dat mijn zussen wakker zijn en hoor gestommel in onze kamer. De deur vliegt open.
‘Wat is er aan de hand Ada? Hoe is Dottie?’  
Hetty en Edie kijken me met grote ogen aan.
‘Ik, ik..’ 
Mijn zin maak in niet af en wijs naar de kamer waar de kleine Dottie ligt te schokken in haar bed. Hetty stuift me voorbij de kamer in.
‘O God, haal de dokter Ada, snel!’ 
Ik stuif met een noodgang de trap af naar beneden, zie mama in de achterkamer rechtop in bed zitten terwijl vader bij haar staat. Ze kijken me geschrokken aan.
‘Dottie?’
‘Het is niet goed mama, ik ga de dokter halen.’
Zonder antwoord af te wachten sla ik een omslagdoek om mijn schouders en ren de straat op. Achter me hoor ik nog net mijn vader de trap op rennen en moeder iets roepen dat ik niet meer versta. Ik heb niet eens een corset aan en zie er slordig uit maar het kan me allemaal niks schelen. 

Dokter Gladstone woont helemaal achter in St. James’s Street tegenover de kerk en ik ben al snel bij de voordeur en ruk net zolang aan de bel tot ik iemand naar de deur hoor komen. Die zwaait even later open en Mrs. Gladstone kijkt me eerst streng aan maar zodra ze de paniek in mijn ogen ziet veranderd haar blik.
‘Wat voor de duvel heeft dat te betekenen?’
‘Het is Dottie, Mrs. Gladstone. Het gaat helemaal niet goed met haar.’
‘Ik haal James.’
Ze draait zich om en loopt naar de ontbijtkamer achter in het huis. Het is nog vroeg, het ontbijt zal nog op tafel staan en er zijn natuurlijk nog geen patiënten in de wachtkamer. Ik hoor haar in de verte praten.
‘Je moet naar Dorothy Pullan, James. Het schijnt niet goed met haar te gaan want haar zus staat voor de deur.’
‘Hetty of die paniekerige Ada?’
‘Ada.’
‘Dan zal het wel meevallen, ik ben zo terug.’ 
Als hij me beter zou kennen zou hij dat nooit zeggen. Toch trekt hij snel zijn jas aan, pakt zijn hoed en handschoenen en de zware dokterstas.
‘Dag Ada, gaat het niet goed met je zusje?’
‘Nee dokter, ze reageert niet op me en ze ligt raar te schokken.’
‘Hm.’
Hij kijkt me even ongerust aan beent langs me heen naar buiten.
‘Kom meisje, opschieten dan maar.’ 
Met grote passen loopt hij de straat uit en ik moet bijna rennen om hem bij te houden. Dokter Gladstone is een bijzonder lange en magere man. Hij ziet er een beetje eng uit maar als je hem kent is hij juist heel aardig. 
‘Hoe is het met je moeder Ada?’
‘Hetzelfde dokter, maar met Dottie is het echt niet goed.’
‘Jaja, we zijn er zo en dan zal ik eens kijken hoe het nu met de kleine meid is. Wie is er bij haar?’
‘Hetty dokter.’
‘O goed zo, dat is een verstandige meid. Ze is toch wel alleen bij haar he? Want we willen niet dat jullie allemaal ziek worden.’
Amper vijf minuten later zijn we bij de voordeur. Edie houdt hem open zodra ze ons ziet komen.
‘Boven dokter.’
‘Ik weet het, dank je meisje.’

Met snelle passen gaat hij de trap op en direct Dotties kamer in, ik volg vlak achter hem. Nu valt het me op hoe muf de kamer ruikt. De gordijnen zijn nog wat verder gesloten en naast Dotties bed staat nu op de tafel een grote kom water, ernaast een stapeltje doeken, een theepot en een paar kopjes. De milde geur van kamillethee dringt zich voorzichtig aan me op. Achter de tafel staat de grote oude fauteuil uit de meisjeskamer met ervoor een voetenbankje.
‘Papa en ik hebben de stoel neergezet want mama wil’
Hetty wordt onderbroken door gestommel op de trap. Ik kijk om en zie dat moeder zich met veel moeite naar boven worstelt, vader en een stok zijn haar steun. Dokter Gladstone onderzoekt zwijgend mijn doodzieke zusje. Dottie’s adem is nauwelijks hoorbaar en af en toe is er de trilling van een spasme. Hetty en Edie staan er bij het raam wat verloren bij, hun gezichten strak. Vooral Edie is erg verdrietig maar ze houdt zich groot. Groter dan ze is. Thom heeft ervoor gezorgd dat de rest naar school is en de kleintjes zitten beneden met hem te spelen.
‘Hoe is het met haar, dokter?’ 
Mama kijkt hem onzeker aan terwijl ze naar de stoel geholpen wordt. 
‘We moeten praten Mrs. Pullan. Misschien is het beter als de kinderen even naar beneden gaan.’
‘Ada mag wel blijven dokter. Hetty, ga jij maar naar Lena en Sam.’
De stilte in de kamer wordt zwaarder terwijl Gladstone wacht tot ze de trap af is. De vijftien seconden voelen als minuten.
‘Het is niet goed ma’am, sir.’
Vader, die achter haar stoel staat, pakt mama’s hand vast en legt zijn andere hand op haar schouder. Met angst in de ogen kijken ze Gladstone aan.
‘Er is niet veel dat ik kan doen. Ik vrees dat u zich op het ergste moet voorbereiden. De ziekte is te ver doorgedrongen. Ziet u, de spasmen duiden erop dat de ziekte haar hersenen bereikt heeft.’
Ik voel me zwaar worden, mijn voeten weigeren me te gehoorzamen. Ik wil naar Dottie en naar mama, maar ik sta als versteend. De deurpost biedt me houvast anders zou ik de grond onder mijn voeten verliezen. Geschrokken kijk ik naar mijn ouders. Mama probeert wat te zeggen maar ze is niet te verstaan, de stem weigert. Papa’s gezicht is bevroren in een grimas.

~